Waarom er meer ongelijkheid nodig is

Kan er te veel gelijkheid zijn? Laat ik er maar niet omheen draaien: ja, dat kan. Is er dan misschien in het Nederland van nu sprake van een teveel aan gelijkheid? Zeker, dat is zonder meer het geval. Is dat erg? Ja, dat is heel erg. Voor wie is dat dan erg? Voor mensen die het minder hebben dan iedereen die gelijk is. Voor mensen die anders denken dan iedereen die gelijk is. Voor mensen die durven te twijfelen aan het gelijk van iedereen die gelijk is.

Dijkstra

Nederland is een land geworden van een allesverzengende gelijkheid, een land waarin de gelijkheidssicherheitsdienst de scepter zwaait. En zoals het een geheime dienst betaamt, weet je  niet wie erbij aangesloten zijn. Op een dag kun je tot de ontdekking komen dat je beste vriend je reeds jarenlang bespioneert. Hoe heeft het zover kunnen komen? Laten we twee belangrijke pijlers onder de Machtergreifung van de gelijkheidsdictatuur nader beschouwen.

Een ogenschijnlijk tamelijk milde vorm van het gelijksdogma is de ‘met-de-laarzen-in-de-blubber’-doctrine. Maar deze mildheid is schijn en komt in de praktijk neer op een Berufsverbot voor genuanceerde mensen. Ieder argument dat niet onmiddellijk intuïtief te begrijpen is, wordt ermee van tafel geveegd door te zeggen dat mensen die ‘met de laarzen in de blubber’ staan wel beter weten. Onwelgevallige feiten zijn met dit ‘argument’ ook gemakkelijk uit te schakelen, want het gaat erom hoe mensen die ‘met de laarzen in de blubber’ staan ‘het’ ervaren. Ik geef een actueel voorbeeld.

 

“Ze ‘wonen zelf niet in de wijken waar de vluchtelingen komen’.”

 

De teller die bijhoudt hoeveel van onze roomblanke dochters door wellustige, hondsdolle moslimmannen zijn verkracht, staat nog altijd op nul. Ja, de gelijkheidsjunta dacht met Marianne Vaatstra zijn gelijk voor eens en altijd gehaald te hebben (één Horst Wessel-gevalletje volstaat immers), maar helaas, dat bleek die hardwerkende Nederlandse (HWN) buurman Jasper S. op z’n geweten te hebben. Intussen was er wel een 26-jarige Irakees (lees: moslim) tot in Istanbul achtervolgd, maar die bleek het niet gedaan te hebben. Maar niet getreurd, het gaat er immers om hoe ‘gewone mensen’ (als je de gelijkheidsfanatici onder druk zet willen ze wel toegeven dat moslims mensen zijn, maar ‘gewoon’ zijn ze zeker niet), die met de laarzen in de blubber staan (moslims dragen zelden laarzen), ‘het’ ervaren! ‘Gewone mensen’ vinden asielzoekers heel eng.[1] ‘Gewone mensen’ zijn dan bang in hun korte rokje over straat te gaan. ‘Gewone mensen’ vragen zich af of ze hun kinderen nog wel veilig op straat kunnen laten spelen. En genuanceerde mensen die hier tegenin brengen dat het met de bedreiging van de veiligheid toch alleszins meevalt, dat het in en rond asielzoekerscentra toch vooral gevaarlijk is voor de asielzoekers zelf (en dat daar misschien ook eens iets meer oprechte aandacht voor zou kunnen zijn en misschien, heel misschien wel eens iets aan gedaan zou kunnen worden, ook al kost dat misschien een ietsjepietsie klein beetje meer geld, het zou toch een teken van beschaving zijn als mensen die met achterlating van dierbaren en have en goed vluchten voor oorlogsgeweld bij ons niet in een slecht geïsoleerde party tent hoeven te bivakkeren?), die genuanceerde mensen begrijpen het niet, omdat ze niet zelf ‘met de laarzen in de blubber staan’. Ze ‘wonen zelf niet in de wijken waar de vluchtelingen komen’. En als dat dan toevallig wel zo is, als een beschaafde buurtbewoonster zegt dat ze geen been ziet in een azc in haar gemeenschap, dan wordt het de gelijkheidsfundamentalisten rood voor ogen en moet ze onder politiebegeleiding naar huis. Maar we moeten door, door naar de tweede pijler onder de gelijkheidsdictatuur: de vrijheid van meningsuiting.

Hoe, vraagt u zich terecht af, heeft de half geletterde horde gelijkheidsfundamentalisten deze Verlichtingsparel kunnen roven? Wel, door iedere verbale natte wind de status van mening toe te kennen! Ik geef weer een actueel voorbeeld. ‘Nederland kan zich de opvang van zoveel vluchtelingen niet veroorloven en komt zelf net uit de crisis.’

Ten eerste is de bewering dat Nederland ‘zelf net uit de crisis komt’ natuurlijk onzin. Met sommige mensen in Nederland gaat het iets beter dan in pak ‘m beet 2010, met een paar veel beter, met weer anderen slechter en Nederland bestaat niet. Bovendien, de economische crisis van 2008 was het startschot van een lange periode van lage economische groei. Veel sappelen, veel onbetaalde stages en ‘traineeships’ (een eufemisme om de onbetaalde stagepil te vergulden) na je studie, steeds minder vaste contracten. En dat is allemaal helemaal niet erg, we hebben gewoon net een uitzonderlijke periode in de Europese geschiedenis achter de rug, de naoorlogse periode met idioot hoge inhaalgroei. Zo mooi zal het nooit meer zijn en dat is even wennen. Met koud water douchen is dat ook. Maar desondanks kan Nederland het zich heel gemakkelijk veroorloven een veelvoud van het huidige aantal vluchtelingen op te vangen.[2]

Gisteravond verliet ik de Martinikerk in een stoet grijsaards, leden van de rijkste generatie bejaarden die ooit op aarde heeft rondgelopen. En dat zal nog lang zo blijven: ze zullen nog lang onder ons blijven, want de levensverwachting is historisch hoog en ze zullen ook nog lang de rijkste blijven, want toekomstige generaties zullen het allemaal minder hebben. Ook dat is helemaal niet erg. Zij hebben geluk gehad, met ons gaat het verder prima. We redden ons wel, dank u. Maar beween dan ook niet het lot van ‘onze ouderen’. Zij hebben ons land niet ‘opgebouwd’ (ook een stokpaardje van het gelijkheidsfundamentalisme, een stokpaardje dat steeds minder makkelijk te berijden valt aangezien de meeste ouderen van nu alleen van hun ouders weten wat de wederopbouw is), zij hebben onder de omstandigheden waaronder dat moest er voor zichzelf het beste van gemaakt, net zoals wij dat tegenwoordig doen. En dat heeft hen voorwaar geen windeieren gelegd. Proficiat, goed gedaan, nothing wrong with looking after number one, zou ik zeggen. En wie geeft niet graag aan z’n eigen kinderen? Dus wij hebben er ook wat aan.

Maar nu kloppen er andere behoeftigen aan onze deur. Mensen die onze hulp nodig hebben en verdienen. Dappere mensen die huis en haard verlaten hebben, jong of oud, ziek, zwanger, met een zuigeling op de arm soms. Waarin ze geloven, wat hun normen zijn, hun waarden, het doet er niet toe. Ze zoeken een menswaardig leven, een leven met een horizon waar je naar kunt staren, waarvan je je af kunt vragen wat erachter verscholen ligt. Een horizon waar je je kinderen op kunt wijzen, hen aansporend ernaar op te trekken. We mogen deze mensen niet afwijzen, we mogen hen de toegang tot Europa niet ontzeggen. Om de boordnodige solidariteit gestalte te geven is snel meer ongelijkheid nodig. Onze tijd vraagt namelijk om moreel leiderschap, nee, beter nog, morele moed, van ons allemaal. En dan gaat het niet om de sympathieke maar zinloze oproep van onze Kamerleden het debat vooral netjes te houden en onder geen beding over te gaan tot (verbaal) geweld. Nee, het gaat om de moed ‘de mensen in het land’, ‘de gewone man’ te zeggen waar het op staat. Zeg hem hoeveel geluk hij heeft en zeg hem vooral hoe bitter weinig hij zelf aan zijn eigen welvaart bijdraagt. Zeg hem hoe fortuinlijk hij is dat hij op het juiste moment in het juiste land ter wereld is gekomen, geholpen door een machtige geallieerde die zeventig jaar geleden wel brood zag in onze ontwikkeling. Het vergt moed om dat publiekelijk te zeggen, je kunt dan niet schuilen in het gelijk van de massa. De gure wind van het gesundes Volksempfinden snijdt je adem af (de kiezer heeft altijd gelijk!, klinkt de hysterische roep van de gelijkheidsfundamentalisten). Maar het moet. Het is nodig ons te verheffen boven de massa, we moeten ongelijk durven zijn. Een van de https://www.viagrasansordonnancefr.com/viagra-prix/ scherpe observaties van de Tocqueville is dat democratie gemakkelijk ontaardt in tirannie van de meerderheid, met als gevolg dat in het politieke debat niet alle opvattingen meer evenredig aan bod komen. Zwijg daarom niet, maar geef ongehoorde wereldburgers in ons land een stem.

Jacob Dijkstra
Docent en onderzoeker aan onze vakgroep. Sinds het academisch jaar 2014-2015 schrijft hij columns voor SoAP. Hij houdt zich bezig met speltheorie, ruilnetwerken, collectieve besluitvorming en mathematische sociologie.

www.jacobdijkstra.com


[1] Asielzoeker is een ander woord voor moslim.

[2] Een ruwe schatting leert dat het aantal naar ons land gevluchten dit jaar tweemaal zo groot is als het inwonertal van het eerste dorp waar ik vroeger naar de middelbare school ging. Over dat dorp viel zeer veel te klagen, maar niet dat er te veel mensen woonden, eerder veel te weinig.

Share Button