Vanuit Huisman 11: Een sociologische bijdrage voor de aanpak van ondermijning

Pre-master student Roy Krijger schreef voor het vak Sociologie van Criminaliteit en Veiligheid een opdracht over ondermijning. Ondermijning heeft betrekking op de verstrengeling van de onderwereld met de bovenwereld. Daardoor heeft ondermijning een grote (negatieve) invloed op de structuur van onze samenleving. Wat opvalt is de kwetsbaarheid van gemeenschappen aan de onderkant van onze samenleving voor ondermijnende criminaliteit. Deze onderklasse is veelal het vertrouwen in de overheid en onze samenleving verloren. Voor hen is het beter vertoeven onder hoede van criminelen dan onder de voor hen onhaalbare eisen die de overheid in onze participatiesamenleving aan ons oplegt. Zij hebben moeite om gehoor te geven aan het beroep op zelfredzaamheid. In de door ons gecreëerde sociale werkelijkheid is het lot van de onderklasse al bestempeld. Het kwijtraken van de onderklasse zorgt dat zij een prooi zijn voor ondermijning. De aanpak van ondermijning kan enkel effectief zijn als de onderklasse er een deel van uit maakt. Door in te spelen op de drie ‘goal-frames’ kan normverandering worden gerealiseerd.

Inleiding

‘Een kind tekent een huis. Tekent een zolder, vol plantjes. De argeloze juf vraagt: De plantjes horen toch in de tuin?’ (Tops & Tromp, 2017, p152). Voordat u verder gaat met lezen vraag ik u om na te denken over wat dit voorbeeld betekent voor onze samenleving. Aan het eind stel ik u deze vraag nogmaals.

De kleuter tekende geen mooie varen, maar één van de meest winstgevende plantensoorten: de hennepplant. Het voorbeeld laat zien dat niet enkel de hennepplant een onderdeel is van drugscriminaliteit, maar dat het normaliseren van een plantje op zolder een nog veel groter probleem is. Het citaat is afkomstig uit het boek ‘De achterkant van Nederland’. Voor mij was het boek werkelijk een eyeopener en is ter inspiratie gebruikt voor dit essay. Pieter Tops en Jan Tromp beschrijven op een fascinerende wijze wat ondermijning is en welke impact dit heeft op de structuur van onze samenleving. Het voorbeeld over drugscriminaliteit is een vorm van ondermijning. 

Een eenduidige definiëring toekennen aan ondermijning is haast even lastig als het probleem zelf en is tot op heden een discussiepunt in de literatuur. Eén aspect komt geregeld naar voren, namelijk: de (negatieve) invloed die ondermijning heeft op de structuur van de samenleving. Ondermijnende criminaliteit treedt toe tot het dagelijks leven, soms zonder dat wij dit direct doorhebben. Het is een ontwikkeling waar moeilijk grip op is te krijgen (Boelens, Boutellier & Hermens, 2019). Vaak wordt ondermijning geassocieerd met georganiseerde misdaad en de verwevenheid van deze misdaad met de ‘normale’ samenleving (Faber, 2013). Door de verwevenheid, of wat Tops en Tromp (2017) ‘de verstrengeling van de onder- en bovenwereld’ noemen, ontstaan illegale samenlevingsstructuren. Ondermijning tast hiermee de rechtsstaat en de samenleving aan en heeft als doel om samenlevingsstructuren te ontwrichten (Khonraad & Kolthoff, 2016; Tops & Tromp, 2017). Ondermijning overstijgt criminaliteit doordat het zich niet enkel beperkt tot criminele activiteiten maar probeert om deze activiteiten als onderdeel van de samenleving op te nemen. 

Cijfers over criminaliteit laten een opvallende trend zien. Over het algemeen is er in de afgelopen jaren sprake van een daling van de (geregistreerde) criminaliteit (CBS, 2020). Maar de daling geldt niet voor georganiseerde misdaad en ondermijning (Khonraad & Kolthoff, 2016). Deze paradox is toch niet helemaal zo tegenstrijdig zoals dat op het eerste oog lijkt. Ondermijning betreft (veelal) de ‘niet-geregistreerde’ criminaliteit. De opkomst van een onderwereld, waarvan wij amper van het bestaan afweten, lijkt daarmee bevestigd. Ondermijning dreigt de overheid steeds meer boven het hoofd te groeien. Het is een hersenkraker geworden voor de Nederlandse politiek en het veiligheidsbeleid en krijgt veel publieke en politieke aandacht (Boutellier et al, 2020). 

Iets wat ondermijning zo ongrijpbaar lijkt te maken is de plaats die criminele bendes de afgelopen jaren hebben ingenomen in onze samenleving. Criminele (motor)bendes worden bijvoorbeeld ingezet bij ‘zakelijke’ problemen tussen partijen of bij conflicten tussen burgers onderling (Kolthoff, Spapens & Stol, 2016). Deze personen worden niet door iedereen direct als (zwaar) crimineel gezien maar soms zelfs eerder als ‘buurtvrienden’. Met name in de onderklasse van onze samenleving is de rol van deze buurtvrienden zorgelijk en vinden zij veel steun (Tops & Tromp, 2017). Een effectieve aanpak van ondermijning moet daarom niet enkel een repressief karakter hebben dat zich puur richt op criminele bendes, zoals bijvoorbeeld een Taskforce dat doet in Brabant en Zeeland (Kolthoff, Spapens & Stol, 2016). Het opjagen zal slechts een tijdelijk effect hebben zolang de omgeving in blijft stemmen met dergelijke vormen van ondermijning (Tops & Tromp, 2017). In een kamerbrief over een gebiedsgerichte aanpak van leefbaarheid en veiligheid onderstreept minister Ollongren (2019) het belang voor een integrale aanpak voor kwetsbare wijken. Een sociaal offensief met vele partijen, inclusief de argeloze juf, is noodzakelijk om de strijd tegen de onderwereld niet te verliezen (Boutellier, Boelens & Hermens, 2019). 

In dit essay wordt aan de hand van een aantal invalshoeken beschreven hoe het komt dat de onderklasse een voedingsbron kan zijn voor ondermijnende criminaliteit, hoe labelling van de onderklasse zorgt voor een uitzichtloze situatie en er worden implicaties gegeven waarop toekomstig beleid zich kan gaan richten om een normverandering in de onderklasse te bewerkstelligen: ‘Hoe zorgen we ervoor dat de kleuter een kruis zet door de hennepplant en wél een mooie varen tekent?’

De onderklasse als voedingsbron voor ondermijning

De eerste invalshoek richt zich op het moeilijk mee kunnen komen van de onderklasse in de samenleving. Dit is mede het gevolg van de vervorming van de klassieke verzorgingsstaat naar de participatiesamenleving. Tot een aantal jaar geleden was het met name de overheid die de maatschappij sturing gaf en garant stond voor het sociale welzijn. Dit bleek echter niet meer haalbaar. De klassieke verzorgingsstaat vervormde zich naar een participatiesamenleving. Er ontstond een hernieuwde rollenverdeling tussen overheid en burgers waarin burgers steeds meer verantwoordelijkheid hebben gekregen op het gebied van zorg, welzijn en veiligheid (Putters et al, 2016). 

De welvarende groep in de samenleving kan aansluiten bij deze hernieuwde rolverdeling maar daarentegen heeft de onderklasse hier op zijn zachtst gezegd wat meer moeite mee. Vanuit sociaaleconomisch perspectief kan er zelfs gesproken worden van een ‘zachte tweedeling’ [1] in onze samenleving (Boelhouwer, Gijsberts & Vrooman, 2014). Deze tweedeling heeft invloed op de samenstelling van wijken. Binnen Nederland is er op sociaaleconomisch gebied namelijk sprake van segregatie (Martel, Ponds & van Ham, 2015). Deze segregatie kan leiden tot het ontstaan van bepaalde wijken met een hoge concentratie personen die moeite hebben om mee te komen in de maatschappij. Zij kunnen niet voldoen aan de oproep van de overheid op zelfredzaamheid. Tegelijkertijd is onze moderne cultuur gericht op presteren en doet het voortdurend een beroep op ons scorend vermogen (Van Ostaijen, 2020).

In beginsel is er niks mis met het beroep op scorend vermogen. Het helpt ons namelijk bij de vervulling van onze basisbehoeften [2]. Het probleem doet zich echter voor wanneer een persoon een gebrek heeft aan scorend vermogen en dit is vaak het geval bij de onderklasse. Zij hebben immers moeite om mee te komen in onze samenleving. De presterende eis van de samenleving komt als een zware last op hun schouders te rusten. De onderklasse voelt zich hierbij in de steek gelaten door de overheid (Tops & Tromp, 2017). 

Het gevolg hiervan is de groei van een ‘parallelle samenleving’ dat wordt gekenmerkt door een afkeer tegen bevoegd gezag (Tops & Tromp, 2017). Dit is niet verwonderlijk aangezien gevoelens van onrechtvaardigheid over de verdeling van financiële en immateriële uitkomsten een effect hebben op het vertrouwen in de overheid (Van den Bos, 2019). Deze groep heeft niet het verlangen om tot de autonome samenleving te behoren (Tops & Tromp, 2017). De onderklasse trekt zich terug en heeft als sociologisch kenmerk dat ze in een sterk geïsoleerde positie verkeren (Engbersen, 2006). Het sociale isolement van deze groep ten opzichte van de ‘andere’ samenleving maakt het dat de heersende normen en waarden bij die groepen nauwelijks in twijfel worden getrokken. Sterker nog, het sociale isolement zorgt voor een collectieve overtuiging waardoor een kritische waardediscussie uitblijft (Van Ostaijen, 2020). 

In een doorsnee woonwijk zal de gemiddelde Nederlander bijvoorbeeld raar opkijken als je voor je huis een jointje rookt met daarbij een paar halve liters Grolsch en ter gezelligheid een (luid) muziekje. Maar in achterstandsbuurten, zoals bijvoorbeeld de Vogeltjesbuurt, zal men eerder een halve liter Grolsch erbij pakken en er naast komen zitten. Zo is te zien dat wetten, regels en codes geen integriteit kunnen afdwingen maar dat deze voortkomen uit normen en waarden die in een bepaalde context worden verondersteld (Van Ostaijen, 2020). De ‘burgerlijke Nederlander’ zal dit gedrag afkeuren waardoor er nauwelijks contact tussen de twee kanten van de samenleving is. Ook deze afkeuring zal leiden tot segregatie en een verharding van de scheidslijn tussen de twee kanten van de samenleving (Tops & Tromp, 2017). Zo ontwikkelt zich een eigen ‘moral economy’ binnen de gemeenschappen aan de onderkant van de samenleving waarbinnen andere wetten en regels gelden dan in het officiële rechtssysteem: ‘Wat de buitenwacht criminaliteit noemt, noem ik cultuur’ (Tops & Tromp, 2017, p.64). In deze omgeving is het beter vertoeven onder de hoede van criminelen dan onder de onhaalbare eisen die de overheid in onze participatiesamenleving aan hen oplegt. Het kweken van het winstgevende plantje kan er bijvoorbeeld voor zorgen dat de vader van de kleuter wel een nieuwe fiets voor haar kan kopen. Dit maakt dergelijke wijken kwetsbaar voor ondermijning.

Het gevolg van het ‘label’ onderklasse 

De tweede invalshoek heeft betrekking op het label dat de onderklasse op zich geplakt heeft gekregen én die zij ook op zichzelf plakken. Individuen in de onderklasse worden niet enkel verenigd door onderlinge interactie maar ook door de (collectieve) attitude die de maatschappij over hen heeft (Fothergill, 2003). In Nederland wordt het begrip onderklasse geassocieerd met armoede, werkloosheid en problemen op het gebied van leefbaarheid en veiligheid (Engbersen, 2006). 

Het gevolg hiervan is een stereotypering over het type mens in de onderklasse. Zonder dat we deze mensen persoonlijk kennen, kennen we hen een ‘virtuele sociale identiteit’ toe op basis van een aantal veronderstellingen die we niet kunnen onderbouwen (Anderson, 2014). De personen in de onderklasse hebben vervolgens voortdurend te dealen met deze stigma’s [3] en kunnen zich onzeker voelen over hoe hij of zij door de samenleving wordt gezien (Anderson, 2014). Het is dan ook geen onlogische reactie van de onderklasse om de samenleving te schuwen en zich terug te trekken in eigen kring. 

Daarnaast kan er een ‘zichzelf waarmakende voorspelling’ plaatsvinden. Als mensen in de onderklasse het idee hebben dat zij als ‘mislukking’ worden gezien door de andere samenleving, dan kan het zijn dat ze bij voorbaat al de handdoek in de ring gooien om bijvoorbeeld een baan te vinden. Daarbij kunnen werkgevers denken dat ze niet in staat zijn om de baan te bekleden. De sociale werkelijkheid, die wij en zijzelf creëren op basis van stigma’s, houdt een uitzichtloze cyclus voor de onderklasse in stand. Voorkomen moet worden dat de onderklasse het ziet als hun lot aangezien lotsverbondenheid en traditie de krachtigste motieven zijn voor de achterkant van Nederland (Tops & Tromp, 2017).

Het denken in frames, het denken in mogelijkhedenEerder schreef ik over de kwetsbaarheid van bepaalde groepen voor ondermijning. Nu ga ik in op de vraag waarom niet iedereen ervoor kiest om ‘een plantje te kweken’. Of breder gezien, waarom niet iedereen zwicht voor ondermijnende criminaliteit. Een antwoord hierop kan de ‘goal-framing theorie’ ons geven waarin wordt verondersteld dat gedrag wordt gestuurd door een drietal frames (Lindenberg & Steg, 2017). Om ondermijning tegen te gaan kan onder andere hierop wordeningespeeld. Per frame worden nu implicaties gegeven over hoe deze kunnen worden beïnvloed ten gunste voor de aanpak van ondermijning.

Ten eerste is er het hedonistische goal frame dat is gericht op het genot en het (egoïstische) gevoel dat een handeling oplevert. Emotionele affiniteit met het onderwerp van de gedraging is hierbij belangrijk (Lindenberg, & Steg, 2017). Vanuit dit perspectief kan het lonen om de gevolgen van ondermijning op onze samenleving duidelijk(er) te maken. Willen we leven in een Narcostaat gekenmerkt door drugs en moord? Het is een overdreven voorbeeld maar het kan er wel voor zorgen dat het ‘genot’ van, en de emotionele affiniteit met, ondermijning verdwijnt. Tijdens mijn reis door Nieuw-Zeeland werd ik bijvoorbeeld op de weg vaak geconfronteerd met borden waarop ‘Speeding ticket’ was te lezen en een lijk met een naamkaartje werd afgebeeld. Dit zorgde er bij mij voor dat ik me niet helemaal ‘prettig’ voelde op het moment dat ik harder dan de snelheidslimiet reed en ik me dus gewoon hield aan de saaie 100km/u.

Ten tweede is er een instrumenteel goal frame waarin gedrag wordt gestuurd door de bescherming en verbetering van bezittingen (Lindenberg & Steg, 2017). Met name de afweging van kosten en baten is bepalend. Daarom is het belangrijk om te investeren in het scorende vermogen van de onderklasse zodat zij wel meekunnen in de participatiesamenleving en meer te verliezen hebben. Hiermee bedoel ik niet dat er een goudmijn geplaatst moet worden in de Vogeltjesbuurt. Er moet grondig worden onderzocht hoe het kan dat er een grote groep in onze samenleving is die niet kan voldoen aan de oproep op (legale) zelfredzaamheid en slecht integreert. Sterker nog, die groep segregeert. Een voorbeeld kan worden genomen aan Bart Somers die als burgermeester van Mechelen de stad heeft omgetoverd van een verloederde- tot een voorbeeldstad. Hij stelde veiligheidsbeleid gelijk aan sociaal beleid waardoor de democratie en integratie aantrekkelijker werd dan extremistische alternatieven (De Standaard, 2017). Bij een geslaagde integratie hebben ook de inwoners van de Vogeltjesbuurt, de vader van de kleuter en de vele anderen meer te verliezen. 

Het derde frame is het normatieve frame waarin gedrag wordt gestuurd door de perceptie van de omgeving. Hier ligt de grootste uitdaging vanwege het feit dat het normen- en waardenstelsel in de onderklasse door collectieve overtuiging niet wordt bekritiseerd. Belangrijk is om het vertrouwen van de onderklasse te heroveren en er zo voor te zorgen dat de ‘algemeen geaccepteerde’ normatieve omgeving ook wordt beaamd door de onderklasse. Een goed voorbeeld hiervan is ‘de Palermitaanse lente’ (Boelens, Boutellier & Hermens, 2019). De burgemeester van Palermo vond steun van de bevolking voor zijn radicale aanpak tegen de maffia door criminele goederen terug te geven aan de maatschappij. Dit was een signaal dat ondermijnende criminaliteit niet onoverwinnelijk is en tegelijkertijd profiteerde de lokale gemeenschap van de successen. 

Conclusie

Een parallelle samenleving ontwikkelt zich doordat de onderklasse moeite heeft om mee te komen in de participatiesamenleving en hierdoor een prooi is voor ondermijnende criminaliteit. Daarnaast houdt het negatieve beeld over en van de onderklasse een uitzichtloze cyclus in stand. Daarom is een integrale aanpak gewenst dat zich bijvoorbeeld kan richten op de drie frames. Op deze wijze kan de norm in de onderklasse worden gestuurd en veranderd. Maar zolang wij leven in een samenleving waarin nummers als ‘drank en drugs’ wekenlang de hitlijsten aanvoeren, is er nog een lange weg te gaan.

Rest mij nog het volgende:

Een kind tekent een huis. Tekent een zolder, vol plantjes. De argeloze juf vraagt: ‘De plantjes horen toch in de tuin.’

Hoe denkt u nu over dit citaat?

Roy Krijger

[1] Over het algemeen gaat het goed met de bovenlaag van de samenleving, samen ongeveer 70 procent van de bevolking. Deze groep bestaat uit de jonge kansrijken, de werkende middengroep en de gepensioneerden. De overige plus minus 30 procent van de bevolking kenmerkt zich door tijdelijke banen, lage inkomens, moeilijke relaties, weinig sociale zekerheid en/of het ontbreken van een politieke stem, met een verhoogd risico op armoede, schulden en bestaansonzekerheid (Boelhouwer, Gijsberts & Vrooman, 2014). 

[2] De sociale productiefunctietheorie stelt dat een ieder de (basis)behoefte heeft aan comfort, stimulatie, affectie, gedragsbevestiging en (sociale) status (Lindenberg et al, 1999). Vervulling van deze behoeften zorgt voor een ervaren subjectief welzijn dat ook wel kan worden omschreven als een individuele inschatting over de kwaliteit van het leven. 

[3]Een stigma is negatief attribuut dat wordt toegekend aan individu en een negatieve invloed heeft op het zelfbeeld (Goffman, 1963).

[4] Ook wel een ‘self-fulfilling prophecy genoemd. Het heeft betrekking op het feit dat de werkelijk niet is maar ontstaat. Ons handelen is gericht op onze sociale werkelijk: het idee dat we hebben over een situatie (Van Ostaijen, 2020). Het bekendste voorbeeld is het faillissement van de DSB Bank waarin de maatschappij (onterecht) in de veronderstelling was dat de bank op instorten stond. Mensen hielden massaal hun geld van de bank waardoor de bank alsnog failliet ging: een zichzelf waarmakende voorspelling. Zo is te zien dat het geloof in een uitkomst ervoor zorgt dat mensen hier ook naar gaan handelen en dat de uitkomst daardoor inderdaad uitkomt. Het is maar de vraag of deze uitkomst was uitgekomen als mensen er niet naar gingen handelen. 

Literatuurlijst

Anderson, T.L. (2014). Understanding deviance. Connecting classical and contemporary perspectives, (p. 256-265). New York: Routledge 

Boelens, M., Boutellier, H., & Hermens, N. (2019). Weerbare wijken tegen ondermijning. Contouren van een nieuwe strategie. Utrecht: Verwey-Jonker Instituut. 

Boelens, M., Boutellier, H., Eski, Y., & van Steden, R. (2020). Een eind aan ondermijning. Over de opkomst en werking van een nieuwe veiligheidsstrategie. Tijdschrift voor Veiligheid, 19(1). 

Boelhouwer, J., Gijsberts, M., & Vrooman, C. (2014). Verschil in Nederland: Sociaal en Cultureel Rapport 2014. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau. 

CBS. (2020). Geregistreerde criminaliteit; soort misdrijf, regio. Geraadpleegd op 3 april 2020, van https://www.cbs.nl/nl-nl/cijfers/detail/83648NED

De Standaard. (2017). Bart Somers verkozen tot beste burgemeester te wereld. Geraadpleegd op 20 april 2020, van https://www.standaard.be/cnt/dmf20170213_02728455

Engbersen, G. (2006). Verhef de onderklasse. Geraadpleegd op 14 april 2020, van

http://www.godfriedengbersen.com/wp-content/uploads/Volkskrant-Verhef-de-onderklasse.pdf

Faber, W. (2013). Ondermijning als activiteit en als gevolg. Een poging tot duiding van een lastig te definiëren fenomeen. Finecscience. Geraadpleegd op 10 april 2020, van https://docplayer.nl/12078804-Ondermijning-als-activiteit-en-als-gevolg.html

Fothergill, A. (2003). The stigma of charity: gender, class an disaster assistance. The Sociological Quartely, 44(4): p. 659-680. 

https://doi-org.proxy-ub.rug.nl/10.1111/j.1533-8525.2003.tb00530.x

Goffman, E. (1963). Stigma: aantekeningen over het omgaan met een geschonden identiteit. Utrecht: Bijleveld Uitgeverij.

Lindenberg, S., Ormel, J., Steverink, N., & Verbrugge, L.M. (1999). Subjective Well-Being and Social Production Functions. Social Indicators Research, 46(1): p. 61-90.

http://dx.doi.org/10.1023/A:1006907811502

Lindenberg, S., & Steg, L. (2007). Normative, gain and hedonic goal frames guiding environmental behavior. Journal of Social Issues, 63(1): p.117-137. 

DOI: 10.1111/j.1540-4560.2007.00499.x

Marlet, G., Ponds, M., & Van Ham, M. (2015). Verschillen, ongelijkheid en segregatie. Utrecht: Atlas voor gemeenten. 

Ollongren, K.H. (2019, 28 oktober). Gebiedsgerichte aanpak leefbaarheid en veiligheid [Kamerbrief]. Geraadpleegd op 18 april 2020, van 

https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/brieven_regering/detail?id=2019Z20486&did=2019D42850

Tops, P., & Tromp, J. (2017). De achterkant van Nederland: hoe onder- en bovenwereld verstrengeld raken. Amsterdam: Balans. 

Van den Bos, K. (2019). Waarom mensen radicaliseren: hoe onrechtvaardigheid, radicalisering, extremisme en terrorisme aanwakkert (1e druk). Amsterdam: Prometheus. 

Van Ostaijen, M. (2020). Wij zijn ons. Een kleine sociologie van grote denkers (3e druk). Amsterdam: Boom. 

Share Button

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *